Op een doodgewone middag, waar in de tuin het gras nog nat is van de ochtenddauw, blijft een kale boomstronk stoïcijns staan. Geen zagerij, geen bulldozer te bekennen—gewoon een overgebleven stuk hout dat niet lijkt te willen verdwijnen. Wie ooit geprobeerd heeft zo’n stronk de baas te worden, weet dat dit niet vanzelf gaat. Toch hangt er iets in de lucht, alsof de oplossing dichterbij is dan verwacht—alleen vraagt het om een kleine, vergeten stap.
Een net gekapte stronk midden in de tuin
De tuin oogt rustig. Vogels hippen rond tussen de struiken, maar het midden blijft leeg. Daar steekt een stevige stronk uit de aarde, het overblijfsel van een oude boom die allang verdwenen is. Het hout is hard, bijna onaantastbaar. Jaar na jaar blijft zo’n boomstronk staan—vaak te log voor simpel gereedschap, te duur om met grof geweld te lijf te gaan.
Voor velen betekent dit het begin van een traag proces. Machines of chemische oplossingen zijn duur en laten sporen na. De tuinier kiest daarom soms voor een andere aanpak. Een stap terug, de natuur het werk laten doen, maar dan wel met een klein duwtje in de juiste richting.
De rol van mulch en schimmels
Midden in het gazon verzamelt zich een mengsel van houtsnippers, schors en oude bladeren. Dit ogenschijnlijke afval is het begin van een proces dat bijna geheimzinnig lijkt. Mulch, heet dat in tuinierstaal: een dikke, vlassige deken van organisch materiaal. Niet spectaculair, wel effectief. Droge lucht en zon zouden het hout alleen maar verder verharden, maar onder zo’n laag mulch ontstaat een ander klimaat: donker, vochtig en warm.
Schimmels gedijen daar. Zij zijn de stille hoofdrolspelers in deze stille film. Mulch voedt die schimmels, houdt vocht vast en biedt zuurstof. Wat volgt is een traag maar zeker festijn, waarbij het hout langzaam van textuur verandert—van massief en onwrikbaar naar zacht, bijna sponsachtig.
De vergeten stap: gaten boren
Wat vaak mist, is de juiste voorbereiding. De stronk plat vlak afzagen is logisch; alle dikke uitlopers en rafelranden moeten weg. Daarna komt de vergeten stap: verticale gaten boren in de stronk. Liefst diep en wijd genoeg, zodat vocht, compost en schimmelsporen diep kunnen doordringen. In die gangen nestelen schimmels zich snel. Water en lucht raken het hart van het hout, en het rotten krijgt een eerste zetje.
Rond de stronk komt een laagje grond of compost. Daarbovenop: een royale berg mulch, minstens vijftien centimeter dik. Alles stevig aandrukken. Nog een zeil, emmer of oud vat eroverheen, en het plaatje is compleet. Warmte en vocht blijven gevangen. Soms worden onder de afdekking extra dode bladeren gelegd, zodat het bodemleven zich sneller ontwikkelt.
Geduld en controle: het langzame werk van de natuur
Uit deze opstelling volgt vooral een les in geduld. Een jaar later—soms pas na twee of drie jaar—is het hout niet verdwenen, maar wel te veranderen. Het voelt dan niet langer als steen, maar als nat karton: zacht, licht en verteerbaar. Met een schep, soms zelfs met de hand, valt de stronk dan los te maken. Geen gif, geen geluidsgeweld, alleen het stille werk van schimmels en vocht.
Ondertussen vraagt deze methode om aandacht voor details. Genoeg mulch, nooit behandeld hout, en altijd zorgen voor vocht. Droogte stopt het proces direct. Het microklimaat blijft zo belangrijk als het begin: te droog, te dun, te weinig afgedekt betekent opnieuw jaren wachten.
Liever langzaam en natuurlijk
Voor wie snel wil bouwen, gelijk wil her-inplanten of een speeltoestel wil plaatsen, is deze aanpak niet geschikt. Snelheid is niet het doel. Maar in veel tuinen waar de tijd langer mag zijn—of waar zware machines niet welkom zijn—biedt deze methode een zachte, bijna onzichtbare transformatie. Wat eerst in de weg stond is na verloop van tijd niet meer dan rijke, kruimelige aarde.
Dit is tuinieren met geduld, met aandacht voor het kleine werk van schimmels en het verstilde rotten onder een dek van mulch. Wat overblijft is niet alleen een verdwenen stronk, maar ook een stukje vruchtbare bodem waar iets nieuws kan wortelen.